UPDATE: NIEUWE REGELS VOOR VERENIGINGSWERKERS IN SPORTVERENIGINGEN

Zoals u hebt kunnen lezen in onze eerdere nieuwsbrief, heeft het Grondwettelijk Hof op 23 april 2020 de regels omtrent het onbelast occasioneel bijverdienen vernietigd waardoor het vanaf 01 januari 2021 niet meer mogelijk is om volgens de bijklusregels onbelast activiteiten te verrichten voor verenigingen of diensten van burger aan burger.

De vernietigde wetgeving voorzag immers dat er onbelast bijgeklust kon worden voor een bedrag van 6.250 EUR per jaar.

Vanaf 01 januari 2021 zou deze bijverdienste aangegeven dienen te worden aan de bevoegde instanties waardoor er dan RSZ en belastingen betaald diende te worden op de ontvangen vergoeding.

Op deze beslissing kwam er echter veel kritiek. Vooral van de Vlaamse Sportfederatie. Zij dienden in juli 2020 een nieuw wetsvoorstel in dat inhield dat het verenigingswerk in de sportsector terug onbelast werd.

Het resultaat is nu te vinden in de nieuwe wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk, die in werking is getreden op 01 januari 2021 voor een duurtijd van één jaar. De regelgeving en de praktische toepassing ervan zal alsdan geëvalueerd worden.

Wat volgt, is een kleine uiteenzetting van wat deze wet nu juist inhoudt en wat de voor- en nadelen hiervan zijn:

-          de nieuwe wet biedt voorlopig slechts een tijdelijke oplossing en dit enkel voor de sportsector;

-       de activiteiten die als verenigingswerk beschouwd worden, zijn limitatief opgesomd in de wet, bijvoorbeeld een animator, een sporttrainer of een terreinverzorger. Wat dan weer niet onder het verenigingswerk valt, is het verbouwen van de voetbalkantine;

-          het verenigingswerk is niet goedkoop: de vereniging dient niet enkel de minimumvergoeding, zijnde 5,10 EUR per uur, aan de verenigingswerker te betalen,  maar ook de 10% solidariteitsbijdrage en de 10% belastingheffing.

Maar wat is nu een verenigingswerker en wat zijn de regels in verband met zijn arbeidsprestaties?

Het statuut verenigingswerker geldt voor de personen die minstens 18 jaar zijn en maximaal 50 uren verenigingswerk verrichten per maand. De personen die hier dus voor in aanmerking komen, zijn actieve werknemers, gepensioneerden en zelfstandigen in hoofdberoep. Ze mogen evenwel niet reeds verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de vereniging.

De verenigingswerker mag, zoals eerder gezegd, maximaal 50 uren per maand verenigingswerk verrichten en er moet een pauze zijn van ten minste 11u tussen twee prestaties geleverd op twee verschillende dagen. Wanneer de verenigingswerker gedurende 7 opeenvolgende dagen arbeid verricht, is er een verplichte rustdag voorzien.

Naast de minimumvergoeding legt de wetgeving ook een maximumvergoeding op voor de verenigingswerker, dewelke bepaald is op 532,50 EUR per maand en 6.390 EUR per jaar (inclusief verplaatsingskosten en onkosten).

Uiterlijk op het ogenblik van de aanvang van de prestaties moet er een schriftelijke ‘overeenkomst inzake verenigingswerk’ worden opgesteld. Dit moet een overeenkomst voor bepaalde duur zijn, die voor maximum één jaar kan worden afgesloten.

Er moet tevens voor de aanvang van de werkzaamheden een DIMONA-aangifte gebeuren.

Een verenigingswerker kan per kalenderjaar niet meer dan 3 opeenvolgende verenigingscontracten sluiten met dezelfde vereniging.

De overeenkomst kan tenslotte voortijdig worden opgezegd met een minimale opzeggingstermijn van zeven kalenderdagen, indien de overeenkomst voor maximum zes maanden is gesloten en met minstens 14 dagen, indien de overeenkomst een duurtijd heeft tussen zes maanden en één jaar.

Indien u nog bijkomende vragen heeft, aarzel niet contact op te nemen met één van de experten in het sociaal recht. Wij helpen u graag verder!

 

Bram Bekaert

Student rechtspraktijk PXL

© 2015 Argus Advocaten