Skip to content Skip to footer

EEN WIJZIGING IN DE WET TOT BESTRIJDING VAN BETALINGSACHTERSTALLEN BIJ HANDELSTRANSACTIES. WAT IS ER BELANGRIJKER DAN BETAALD TE WORDEN VOOR UW DIENSTEN EN LEVERINGEN?

Welnu, belangrijk daarbij is om te onthouden is dat wanneer u in uw transacties met consumenten en/of ondernemingen geen gebruik maakt van een overeenkomst of van algemene voorwaarden, het de wetgever is die in uw plaats bepaalt welke uw rechten en plichten zijn !   

In dit kader situeert zich de “wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties” : wanneer partijen in B2B-transacties (dus transacties tussen ondernemingen) hieromtrent  niets zelf overeenkwamen, is het de wetgever die bepaalt welke de verval- en betaaltermijnen zijn en welke intresten en schadevergoeding er door de wanbetaler verschuldigd zijn.

Meer bepaald geldt dat indien er in de overeenkomst geen datum of termijn voor betaling is vastgesteld, elke betaling tot vergoeding van een handelstransactie tussen ondernemingen moet gebeuren binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de dag volgend op die :

-van de ontvangst door de schuldenaar van de factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling, of

-van de ontvangst van de goederen of diensten, indien de datum van ontvangst van de factuur of het gelijkwaardig verzoek tot betaling niet vaststaat of indien de schuldenaar de factuur of het gelijkwaardig verzoek tot betaling eerder ontvangt dan de goederen of diensten, of

-van de aanvaarding of controle ter verificatie van de conformiteit van de goederen of diensten met de overeenkomst, indien de wet of de overeenkomst voorziet in een procedure voor aanvaarding of controle en indien de schuldenaar de factuur of het gelijkwaardig verzoek tot betaling ontvangt vóór of op de datum waarop de aanvaarding of controle plaatsvindt.

De maximumduur van een procedure voor aanvaarding of controle bedraagt dertig kalenderdagen vanaf de datum van ontvangst van de goederen of diensten, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen maar wat niet mogelijk is als de schuldeiser een KMO is.    Dan is de maximale termijn voor aanvaarding of controle 30 kalenderdagen.

Dit wil dus zeggen dat wanneer er niets anders overeengekomen wordt, de betalingstermijn maximaal 30 dagen bedraagt of 60 dagen bedraagt indien er een procedure voor aanvaarding of controle bestaat.

Deze termijn kan momenteel echter contractueel verlengd worden tot méér dan 60 dagen, tenzij de schuldeiser een KMO is en de schuldenaar geen KMO is.   In dat geval kan er ook contractueel geen langere vervaltermijn van 60 dagen overeen-gekomen worden en dit geldt op straffe van nietigheid.     Dit is een bescherming van de KMO die doorgaans vanuit in een zwakkere uitgangspositie contracteert met een grote onderneming.

Het schoentje wrong echter toch nog wanneer misbruik gemaakt werd van de termijn voor aanvaarding of controle doordat contractueel sterkere schuldenaars de maximaal toegelaten betalingstermijn eisten van 60 dagen maar deze pas lieten ingaan met ingang vanaf het einde van een controletermijn van 30 dagen.

De betalingstermijn werd hierdoor in werkelijkheid gebracht op 90 kalenderdagen, waardoor de schuldenaar zich als het ware gedurende één tot twee maanden een kosteloos krediet verschafte op kosten van de leverancier.  

Vermits dit voorbijging aan de bedoeling van de wetgever, werd beslist om in te grijpen en bij wet van 14.08.2021 (Wet tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 30.08.2021) worden volgende wijzigingen aangebracht.

-de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen kan contractueel verlengd worden tot maximaal 60 kalenderdagen.    De grootte van de ondernemingen is hierbij niet relevant.  Indien partijen contractueel toch een langere betalingstermijn voorzien dan 60 kalenderdagen dan wordt dit als niet geschreven beschouwd.

-de periode van aanvaarding en controle maakt deel uit van de betalingstermijn die dus 30 tot werkelijk maximaal 60 dagen bedraagt en niet vatbaar is voor een kunstmatige uitbreiding met nogmaals 30 dagen.

De betalingstermijn begint te lopen vanaf de ontvangst van de factuur en het is niet toegelaten om de ontvangstdatum van de factuur andersluidend contractueel vast te leggen.   Uiterlijk op het moment van ontvangst van de goederen of prestatie van de diensten voorziet de schuldenaar de schuldeiser van alle informatie die nodig is om de factuur te kunnen uitreiken.   Ook dit achterpoortje wordt dus gesloten.

De wetswijziging zal in werking treden op 01.02.2022.

Wij moeten dus adviseren om uw overeenkomsten en algemene voorwaarden te toetsen aan deze wetswijzing.

Afsluitend : ik herhaal dat het van belang is dat partijen in het handelsverkeer gebruik maken van de mogelijkheid om hun rechten en plichten zelf te definiëren en te bedingen en dit niet over te laten aan de wetgever.

Elke onderneming heeft een eigen werkwijze en elke handelsactiviteit legt eigen specifieke noden op.   Het is dan moeilijk te begrijpen dat sommige ondernemers gebruik maken van standaardcontracten en/of algemene voorwaarden die ergens op het internet worden geplukt of gekopieerd worden van concurrenten of nog dat zij contracten en/of voorwaarden gebruiken die niet geregeld opnieuw getoetst worden op hun actualiteit en zelfs rechtsgeldigheid.

Dat het Wetboek van Economisch Recht (WER) en vroeger de Wet op de Eerlijke Handels- of Marktpraktijken een lijst van “verboden bedingen” vermeldt, is sinds bekend. Om te voorkomen dat er een kennelijk onevenwicht zou bestaan ten laste van de consument, kan elk contractueel beding dat met deze bepalingen strijdig is, nietig worden verklaard.   

Dit betrof oorspronkelijk enkel overeenkomsten tussen ondernemingen en consu-menten en tussen ondernemingen onderling bleef het beginsel van contractuele vrijheid, weliswaar beperkt door regels van dwingend recht en/of van openbare orde, een bijna absoluut beginsel. 

Hieraan kwam een einde toen de wet van 4 april 2019 gelijkaardige bepalingen invoerde voor contracten tussen ondernemingen (Business to Business of kortweg “B2B”) : telkens een beding een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen kunnen deze bedingen voortaan ook in B2B-overeenkomsten als onrechtmatig, dus verboden en derhalve nietig verklaard worden.

Van de vroegere absolute of volledige vrijheid tot contracteren tussen ondernemingen is er dus geen sprake meer en het is meer dan raadzaam dat de onderneming haar contracten met consumenten én met andere ondernemingen grondig laat nakijken en deze, indien nodig, aanpast aan wetgeving en rechtspraak.

U vindt Argus Advocaten daartoe ter beschikking !

Dirk Vandecasteele

Advocaat-vennoot.

[email protected]

011/28.64.22